Image

Wanneer de sociale zekerheid haar evenwicht verliest

Bea Cantillon is voorzitter van het Universitair Centrum Sint-Ignatius Antwerpen (UCSIA) en emeritus professor aan de Universiteit Antwerpen. De hervormingen van de sociale zekerheid zijn nodig, maar dreigen tegelijk de fundamenten van het Belgische welvaartsmodel aan te tasten, schrijft ze.
 

In deze turbulente tijden is het een zegen dat een moeilijke regeringscoalitie kon worden gevormd. Ook de daadkracht waarmee men de begroting wil saneren en orde op zaken wil stellen in de verzorgingsstaat verdient waardering. Met de grote uitdagingen van vergrijzing, digitalisering en ecologische transitie kan een samenleving immers niet blijven teren op schulden zonder uiteindelijk haar eigen sociale model te ondergraven.

Maar nu wordt het opletten. We naderen een grens waarop het niet langer gaat om het overeind houden van onze verzorgingsstaat, maar om het ondergraven van essentiële evenwichten — tussen verzekering en solidariteit, tussen betaalde arbeid en zorgarbeid, tussen overheid en sociale partners. Dat kan ons op termijn zuur opbreken.

Tussen verzekering en solidariteit

De Belgische sociale zekerheid is gebouwd op een fragiel evenwicht tussen solidariteit en verzekering. Voor wat hoort wat, zeker. Maar de sociale zekerheid vermengt logica’s: ook wie onvoldoende premies kan betalen, wordt zo veel mogelijk meegenomen in het systeem. Dat is geen bijzaak, maar de kern van het model. Zodra sociale zekerheid louter een verzekering wordt, kan de overheid ze evengoed overlaten aan de private sector.

De huidige hervormingen verschuiven het evenwicht richting verzekering, weg van solidariteit. De sociale zekerheid wordt daardoor minder een gedeeld beschermingssysteem en meer een systeem van individuele verdienste.

Werklozen worden massaal richting het OCMW geduwd. In de pensioenen wordt de band tussen arbeidsprestatie en opgebouwde rechten aangescherpt, waardoor mensen met ziekte, langdurige werkloosheid of zorglasten vaker zullen uitkomen bij de sociale bijstand voor ouderen.

Tegelijk wordt de financieringsbasis van de sociale zekerheid uitgehold, onder meer door de uitbreiding van flexi-jobs: een groeiende laag van arbeid waarop nauwelijks sociale bijdragen worden betaald. Minder inkomsten en een steeds strengere verzekeringslogica leiden onvermijdelijk tot meer sociale bijstand.

Maar bijstand is geen volwaardig alternatief voor sociale verzekering. Ze is kwetsbaar voor non-take-up, administratief complex, fout- en fraudegevoelig, verhoogt het risico op werkloosheidsvallen en is onderhevig aan wisselvallige politieke tendensen om gedrag te sturen. In Angelsaksische landen weten ze daar alles van.

De kracht van onze verzorgingsstaat ligt er net in zo veel mogelijk mensen binnen het verzekeringssysteem te houden. Vandaag dreigt een model te ontstaan waarin steeds meer mensen vroeg of laat afglijden naar groeiende en moeilijk te bestieren bijstandssystemen.

realiteit

De pensioenhervorming versterkt het verband tussen bijdrage en profijt. Vanuit budgettaire logica is het nodig om langer werken te stimuleren.

Maar daar botst men op een fundamentele realiteit: niet alle maatschappelijk waardevolle arbeid laat zich in markttermen vatten. Mantelzorg, opvoeding en zorg voor anderen zijn maatschappelijk onmisbaar, maar blijven onzichtbaar in een op betaalde arbeid gestoeld verzekeringssysteem. Daarom zorgen gelijkgestelde periodes, sociale minima en gezinscorrecties voor een zekere compensatie, als uitdrukking van een noodzakelijke vermenging van logica’s.

Dat spanningsveld kwam scherp naar voren in het debat over de impact van de pensioenhervorming op mannen en vrouwen en zal ook de hervorming van overlevings- en gezinspensioenen belasten.

Daar komt een tweede realiteit bij: niet iedereen kan langer werken, en uitgerekend mensen met zware beroepen, of die kwetsbaar of ziek zijn, leven gemiddeld minder lang. De levensverwachting verschilt daarbij sterk tussen sociale groepen. Lager opgeleiden leven gemiddeld ongeveer zeven jaar minder lang dan hoger opgeleiden. Dat betekent dat zij gemiddeld zoveel jaar minder lang pensioen ontvangen. Een eenzijdig doortrekken van de verzekeringslogica versterkt de stille, averechtse herverdeling van arm naar rijk en van kort naar lang leven.

Onder spanning

De sociale zekerheid steunt historisch op een sociaal contract tussen werkgevers en vakbonden, tussen arbeid en kapitaal. In dat compromis ligt de basis van het Rijnlandmodel, de ruggengraat van onze sociale markteconomie.

De toenemende druk op het middenveld, mutualiteiten en sociale partners, zet dat maatschappelijk contract onder spanning. Natuurlijk moeten scheeftrekkingen, belangenvermenging en inefficiënties worden aangepakt en moet de overheid sturen voor het algemeen belang. Maar de rol van de sociale partners blijft essentieel: zij dragen de sociale markteconomie, verbinden beleid met praktijk, beschikken over expertise en maken het systeem uitvoerbaar.

Het negeren van alternatieve voorstellen rond de centenindex is daarom een riskant signaal. Het dreigt het middenveld verder weg te duwen uit medeverantwoordelijkheid.

Er zit een logica achter de centenindex: lage lonen en uitkeringen beschermen. Maar de index is geen goed instrument om loonongelijkheid te corrigeren. Wanneer die functie er alsnog op wordt geplakt, komt het systeem onder druk te staan, ook omwille van de complexiteit. De sociale partners weten dat beter dan de politieke waan van de dag.

Complexiteit

Tot slot is er de complexiteit. In een boek ter gelegenheid van 125 jaar sociale zekerheid in Nederland worden complexiteit en uitvoerbaarheid genoemd als de grootste structurele knelpunten – zeker na de toeslagenaffaire, waarbij duizenden gezinnen door een ontspoord controlesysteem onterecht van fraude werden beschuldigd en financieel ten gronde gingen.

En wat doen wij? De pensioenen zijn intussen zo ingewikkeld geworden dat de administratie jaren nodig heeft om de hervorming correct te vertalen naar MyPension. Een systeem dat niemand nog begrijpt, verliest zijn legitimiteit. Daarbovenop worden de effecten van financiële prikkels op arbeidsbereidheid onzeker, omdat het systeem te complex is geworden om nog effectief gedrag te sturen. Zonder veel nadenken over de gevolgen wordt de rol van de sociale bijstand uitgebreid, met een opeenstapeling van nieuwe regels en voorwaarden die men eraan wil toevoegen.

Dat alles roept een fundamentele vraag op: hervormen we de welvaartsstaat om hem overeind te houden? Of bouwen we hem stilaan om tot een overgecompliceerd overheidssysteem waarin sociale zekerheid steeds sterker afhankelijk wordt van economische performantie, gezondheid en geluk, terwijl voor de rest enkel een fragiele, onzekere en disciplinerende bijstand overblijft?

 

Deze opinie verscheen in De Morgen op 20 mei 2026
Bea Cantillon is lid van de algmene vergadering vanv zw Evara.



 

Schrijf je in op onze nieuwsbrief en blijf op de hoogte