Waarom meer schoolbussen niet de oplossing zijn
Hoe maatwerk, mobicoaching en slimme routeplanning het leerlingenvervoer in Midden-West-Vlaanderen veranderen
De voorbije maanden kwam het leerlingenvervoer opnieuw volop in het nieuws. Lange reistijden, organisatorische problemen en tragische incidenten zoals in Buggenhout toonden meer dan ooit hoe het systeem onder druk staat. Tegelijk zoekt de Vlaamse overheid naar oplossingen om het vervoer duurzamer en efficiënter te organiseren. Daarin wordt meestal gedacht aan ‘meer bussen’, maar wat er nodig is, is een andere manier van denken. De vraag moet niet zijn hoe we zoveel mogelijk leerlingen op een bus krijgen, maar hoe we elke leerling zo zelfstandig, veilig en efficiënt mogelijk op school krijgen.
Dat die invalshoek voor andere resultaten zorgt, bewijst het in 2017 opgestarte pilootproject ‘leerlingenvervoer in Midden-West-Vlaanderen’ waarvan Inoa in Roeselare penhouder is. Daar geraken vandaag 4 op de 10 leerlingen zonder schoolbus op school. Samen met De Lijn, scholen, CLB's en de Vlaamse overheid werken we er aan een model dat vertrekt vanuit één eenvoudige vraag: welke vervoersoplossing heeft deze leerling écht nodig?
De resultaten tonen dat het antwoord daarop niet ‘de schoolbus’ hoeft te zijn. Van de meer dan 2.600 leerlingen binnen het project maakt minder dan 60 procent gebruik van collectief leerlingenvervoer. Meer dan 20 procent verplaatst zich met het openbaar vervoer en meer dan 10 procent via individueel georganiseerd vervoer. Daardoor blijven plaatsen op de schoolbus beschikbaar voor leerlingen die daar het meest nood aan hebben. Tegelijk worden middelen slimmer ingezet. Waar het klassieke systeem vaak automatisch een plaats op de bus voorziet, onderzoeken we in het project eerst welke oplossing het beste aansluit bij de mogelijkheden van de leerling en zijn of haar gezin.
Een belangrijk uitgangspunt van het project is dan ook dat het recht op ondersteuning niet automatisch betekent dat er ook recht is op een plaats op de schoolbus. Zo zijn er duidelijke afstandscriteria. Leerlingen in het basisonderwijs hebben binnen een straal van 1,5 kilometer van de school geen recht op collectief vervoer. Voor het secundair onderwijs geldt een perimeter van 4 kilometer. Voor elke aanvraag buiten die afstandsgrenzen, wordt eerst bekeken welke vervoersvorm het meest geschikt is voor de leerling. Die beoordeling gebeurt via een intakegesprek, waarbij scholen samen met ouders, leerlingen, het CLB en eventueel andere begeleiders kijken naar de situatie, de fysieke en psychosociale zelfredzaamheid van de leerling en de gezinssituatie. Via mobicoaching leren leerlingen vervolgens stap voor stap zelfstandig gebruik te maken van het openbaar vervoer. Dat vergroot niet alleen hun mobiliteit, maar versterkt ook hun zelfvertrouwen en maatschappelijke participatie. Die aanpak betekent een fundamentele omslag in denken. Niet het beschikbare vervoersaanbod staat centraal, maar de mogelijkheden van het kind. Wat kan een leerling zelf? Welke ondersteuning is nodig? Welke oplossing biedt de meeste kansen op zelfstandigheid? Pas wanneer andere vervoersvormen onvoldoende haalbaar blijken, zetten we collectief busvervoer in.
Ook de invoering van gemeenschappelijke opstapplaatsen maakt een groot verschil. In plaats van tientallen individuele adressen aan te doen, vertrekken bussen van veilige, centrale opstapplaatsen in de buurt van de woonplaats van de leerling. Dat vermindert het aantal stops aanzienlijk en helpt om reistijden te beperken. Een route die vroeger twintig verschillende huisadressen bediende, kan vandaag soms georganiseerd worden via zes opstapplaatsen. Elke minuut die een leerling minder op de bus zit, is winst. Dat betekent meer tijd voor onderwijs, ontspanning, gezin en sociale contacten.
Hoewel leerlingenvervoer altijd een complexe opdracht blijft en het elke dag schakelen is, bewijst het pilootproject dat een andere aanpak mogelijk is. Voor het komende schooljaar ontvingen we al meer dan 550 nieuwe aanvragen, waar we nu draaiboeken voor maken. Het project toont aan dat toekomstige investeringen in leerlingenvervoer vooral moeten gaan naar organisatie, begeleiding en maatwerk, eerder dan naar een verdere uitbreiding van een systeem dat hoofdzakelijk op schoolbussen steunt. Door sterker in te zetten op intakegesprekken, mobicoaching, openbaar vervoer, individuele ondersteuning en slimme routeplanning kunnen middelen gerichter worden toegekend én stijgt de kwaliteit van de dienstverlening voor leerlingen. En vooral: leerlingen worden niet langer passief met de bus van deur tot deur gebracht, maar worden zelfredzaam, ontdekken dat ze dit zelfstandig kunnen en ontwikkelen vaardigheden die ze de rest van hun leven nodig zullen hebben. Dus waarom zouden we dit niet uitrollen in elke Vlaamse regio?
In naam van het Evara-bestuur en alle collega’s van Inoa die bij dit project betrokken zijn.
Mher Ghazarian
Coördinator pilootproject leerlingenvervoer bij Inoa (buitengewoon onderwijs en welzijn binnen Evara)